Palmolie, Ratten en Makaken

Palmolie heeft tegenwoordig een slechte reputatie, maar is ondertussen wel de meest gebruikte (en dus meest geconsumeerde) plantaardige olie ter wereld. Grote stukken oerwoud worden rücksichtslos gekapt en verbrand om plaats te maken voor oliepalmplantages. Daardoor ontstaat een monocultuur en verliezen talloze bomen, planten en dieren hun plek in het ecosysteem.
Maar de natuur vindt altijd een manier om terug te slaan. De treurige, bijna oneindig grote plantages vol palmoliepalmen blijken een fantastische habitat te zijn voor ratten. Die vinden tussen en onder de wortels van de palmen een ideale plaats om voor hun nageslacht te zorgen. Al die ratten zorgen samen voor een enorme schade aan de voedzame oliehoudende vruchten van die palmen.

Maar die overdaad aan ratten zorgt ook voor geïnteresseerde apen. De lampongaap (Macaca nemestrina), een makaak die in het Engels de Southern pig-tailed macaque genoemd wordt, is inheems in Thailand, Maleisië en Indonesië. Het zijn alleseters, die zich voornamelijk tegoed doen aan fruit, zaden, bessen en insecten. Maar, zoals vrijwel alle primaten, zijn het ook opportunisten.

Biologen hebben nu ontdekt dat deze makaken actief zijn gaan jagen op ratten[1]. Die ratten zoeken overdag, wanneer de zon ongenadig aan de hemel brandt, de koelte van hun holen op. Het zijn daar relatief gemakkelijke prooien voor de makaken.

De onderzoekers waren stomverbaasd toen ze voor het eerst zagen dat makaken zich voedden met ratten op plantages. Ze hadden niet verwacht dat ze op deze relatief grote knaagdieren zouden jagen en dat ze zelfs zoveel vlees zouden eten. Het was bekend dat deze primaten vooral fruiteters zijn die zich slechts af en toe te goed doen aan kleine vogels of hagedissen.

Tellingen tonen aan dat één groep makaken wel meer dan 3,000 ratten per jaar kan vangen. Het resultaat van hun aangepaste gedrag is dat de makaken de aantallen ratten op een plantage wel met 75 procent kan verminderen. Dat leidt zelfs tot een verminderd gebruik van pesticiden.

Het dieet van de makaken bevat natuurlijk ook veel palmolievruchten. De onderzoekers berekenden dat een groep makaken meer dan twaalf ton vruchten per jaar eet. Dat is echter slechts 0.56 procent van de totale productie van de onderzochte plantage. Dat lijkt misschien veel, maar ze 'betalen' daarvoor door op ratten te jagen. Die ratten daarentegen zorgden echter voor een oogstverlies van ongeveer 10 procent van de totale productie. De schade door ratten was dus aanzienlijk groter dan het verlies door de makaken zelf.
In eerste instantie dachten de eigenaren van de plantages dat met de komst van de makaken een tweede schadelijke diersoort was gearriveerd en dat daardoor de vraatschade aan hun plantages nog meer zou gaan toenemen. Maar op basis van de nieuwe gegevens konden ze een nieuwe rekensom gaan maken. De schade van ratten kon oplopen tot wel 10 procent van de oogst, makaken eten die ratten, waardoor de schade weer met zo'n 75% afneemt, maar tegelijkertijd eten makaken ook weer palmolievruchten. Met de rekenmachine in de hand kwamen ze op een toegenomen oogstopbrengst van gemiddeld $650,000 per jaar.

Het blijkt echter dat menselijke habitatveranderingen, zoals oliepalmplantages, het sociale gedrag van makaken negatief beïnvloeden[2]. In het centrum van de plantages nemen positieve sociale interacties af en neemt agressie toe.

[1] Anna Holzner et al: Macaques can contribute to greener practices in oil palm plantations when used as biological pest control in Current Biology - 2019
[2] Anna Holzner et al: Oil palm cultivation critically affects sociality in a threatened Malaysian primate in Scientific Reports - 2021

De Oorsprong van Zinfandel

De Amerikanen zijn maar wat trots op 'hun' Zinfandel, de diepblauwe tot bijna zwarte druif die men vooral in wijngaarden in California laat opgroeien. De Zinfandel levert een krachtige rode wijn die boordevol smaak zit en met een alcoholpercentage dat de 15 procent kan overschrijden. Dat is veel, heel veel.
Hoe dat kan? Dat zit zo: In grote delen van Californië is het ’s zomers intens heet. De zon brandt er ongenadig op de wijngaarden. Hoe meer zon een druif ontvangt, hoe meer fruitsuiker deze zal aanmaken. Bij het fermentatieproces wordt een deel van deze suiker omgezet in alcohol. Om die 15 procent alcohol te kunnen aanmaken en toch nog een lekkere wijn over te houden moet er dus heel veel fruitsuiker beschikbaar zijn. Kenners beschrijven de smaak vaak als een combinatie van rijpe bramen, bosbessen en zwarte kersen, met een lichte peperachtige of kruidige ondertoon en soms zelfs een vleugje zoethout of anijs. Rare jongens die kenners.

Maar is de Zinfandeldruif ook oorspronkelijk afkomstig uit de Verenigde Staten? Daar waren de meningen behoorlijk over verdeeld. Amerikanen wilden het ras natuurlijk voor zichzelf claimen (wat kennelijk typisch Amerikaans gedrag is).

Genetische kruimels volgen
Die vraag is intussen duidelijk beantwoord. Uitgebreid DNA-onderzoek heeft aangetoond dat de Zinfandel genetisch identiek is aan de Primitivo, de druif die al een paar eeuwen geleden in de Italiaanse regio Apulië (Puglia), in de ‘hiel’ van de Italiaanse laars, wordt verbouwd. Maar de Primitivo werd daar in de achttiende eeuw geïntroduceerd vanuit de Balkan, met name vanuit het huidige Kroatië en Montenegro. In die regio stond de druif bekend onder de namen Crljenak Kaštelanski en Tribidrag (Kroatië) en Kratošija (Montenegro). Genetisch onderzoek toonde aan dat deze druiven 'broertjes' waren van de Zinfandel en de Primitivo[1]. Alleen de klonen en de lokale teeltomstandigheden zorgen voor kleine verschillen in expressie.

Maar waar was de gezamelijke voorvader, zo luidde de logische vervolgvraag. En bestond dat oude ras nog wel?
[De Dobričić ofwel de oer-Zinfandel]

Na jaren van intensief speurwerk en talloze DNA-tests op oude wijnstokken vonden onderzoekers uiteindelijk een enkele, bijna vergeten rank in de tuin van een oudere vrouw in Kaštel Novi, nabij Split in zuidelijk Kroatië[2]. Deze Dalmatische cultivar stond lokaal bekend als de Dobričić. Die ontdekking bevestigde dat de Zinfandel inderdaad een oude Kroatische druif is.

Conclusie
Volgens een oude regel in wijnland, de zogenaamde ampelographic rule, dient een druivenras de oudste bekende naam te dragen. Aangezien de naam Tribidrag al voorkomt in geschriften die dateren uit het begin van de vijftiende eeuw is die naam verreweg de oudste[3]. Strikt genomen zou de Zinfandel dus Tribidrag genoemd moeten worden. De Dobričić is de stamvader van de Tribidrag en is dus een aparte cultivar.

Maar daar doen de Verenigde Staten niet aan mee. Die trekken zich niets van die traditionele regel aan. Zoals bekend hebben ze daar totaal geen gevoel voor stijl en traditie.

[1] Maletić et al: Zinfandel, Dobričić, and Plavac mali: The genetic relationship among three cultivars of the Dalmatian Coast of Croatia in American Journal of Enology and Viticulture - 2004
[2] Maletic et al: The Identification of Zinfandel on the Dalmatian Coast of Dalmatia in ISHS Acta Horticulturae 603: VIII International Conference on Grape Genetics and Breeding – 2003
[3] Malenica et al: Whole genome amplification and microsatellite genotyping of herbarium DNA revealed the identity of an ancient grapevine cultivar in Naturwissenschaften - 2011

Ternate: 's Wereld's oudste kruidnagelboom

Ooit produceerden de Indische Specerij-eilanden meer nootmuskaat, foelie, kruidnagel en zwarte peper dan waar ook ter wereld. De specerij-eilanden liggen onder de rook van het Molukse eiland Halmahera en bestaan uit Ternate, Tidore, Moti en Makian.

Ternate wordt gedomineerd door de 1715 meter hoge vulkaan Gamalama en op dat eiland staat ’s werelds oudste nog levende kruidnagelboom. Men schat dat deze boom tussen de 350 en 400 jaar oud is. Dát hij nog bestaat, is überhaupt een wonder.
[De Gamalama op Ternate - Foto: Peter van Eijk]
Kruidnagels werden al in de Middeleeuwen door Arabische zeevaarders naar het Midden-Oosten en vandaar uit naar consumenten in Europa overgebracht. Waar die kruidnagels precies vandaan kwamen, werd millennialang geheim gehouden om de concurrentie niet de kans te geven er zelf in te gaan handelen. In 1512 was dat geheim voorbij, toen de Portugese zeevaarder Francisco Serrão (?-1521) de Banda-eilanden en Ternate bereikte.

De Nederlandse Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) wist uiteindelijk de eilanden op de Portugezen te veroveren en creëerde daarop haar eigen monopolie. De productie werd beperkt tot het eiland Ambon en drie kleinere eilanden ten oosten daarvan: Haruku, Saparua en Nusa Laut. Ze gebruikten daarvoor de tactiek van de verbrande aarde: alle kruidnagelbomen, die groeiden op andere eilanden, werden vernietigd. Om de prijzen kunstmatig hoog te houden, werd ook de oogst op Ambon scherp onder controle gehouden. Per jaar werd 800 tot 1,000 ton kruidnagels geëxporteerd. De rest van de oogst werd verbrand of in zee gedumpt. Iedereen die buiten de VOC om een handeltje in kruidnagels dacht te kunnen drijven, stond de doodstraf te wachten.
[De oudste kruidnagelboom - Foto: Peter van Eijk]

Alle kruidnagelbomen op Ternate moesten als gevolg van dat beleid natuurlijk ook gerooid worden, maar die ene kruidnagelboom ontsnapte aan dat lot en het was dat ene foutje van de VOC dat er voor zorgde dat in 1770 het monopolie in kruidnagels uiteindelijk een dodelijke slag werd toegebracht.

Een Fransman met de toepasselijke naam Pierre Poivre ('Piet Peper') ontdekte die eenzame boom, stal een paar zaailingen en bracht ze heel voorzichtig over naar de onder Franse heerschappij staande eilandengroep de Seychellen (gelegen in de Indische Oceaan, ietwat rechts van Afrika en boven Mauretanië) en uiteindelijk naar Zanzibar. Tegenwoordig is het aan de Afrikaanse oostkust gelegen Zanzibar de grootste producent van kruidnagels ter wereld.
[Kruidnagel - Foto: BBC]

Op Ternate staat nog steeds die eenzame kruidnagelboom. Gehavend door de houtkap van onnadenkende dorpsbewoners. Dat wel.

Santo Tomás: Een Belgische kolonie in Guatemala

De koloniale geschiedenis van België had, achteraf gezien, weinig hoogtepunten en veel dieptepunten. Lees het boek 'Congo' van David van Reybrouck en je zult begrijpen dat de Belgen dat land in een grote ontreddering hebben achtergelaten[1].
Maar de Belgische koloniale aspiraties begonnen eerder. Terwijl de grote Europese mogendheden al eeuwen overzeese gebieden bezaten, zocht België, pas sinds 1830 onafhankelijk, nog naar een eigen plaats op het wereldtoneel. Het had natuurlijk allemaal te maken met een minderwaardigheidscomplex. België (en dan vooral de koning) wilde aan de wereld tonen dat ze een volwaardig land waren en zich internationaal profileren als koloniale mogendheid.

Daarom tuurde koning Leopold I (1790-1865) begerig over een wereldkaart en zag in Centraal-Amerika een kans. Zo ontstond in 1843 kortstondig de Belgische kolonie Santo Tomás in Guatemala, aan de Caraïbische kust. De in 1841 opgerichte Compagnie belge de colonisation, een private onderneming met koninklijke steun, sloot een overeenkomst met de Guatemalteekse regering. In ruil voor de aanleg van een haven, wegen en economische ontwikkeling kreeg de onderneming een concessie van ruim 100,000 hectare grond rond de baai van Santo Tomás de Castilla[2].

In het voorjaar van 1843 vertrokken de eerste schepen, de 'Louise-Marie', de 'Ville de Bruxelles' en de 'Théodore' vanuit Antwerpen richting Santo Tomás met aan boord enkele honderden kolonisten, landbouwmateriaal en voorraden. Op het hoogtepunt telde de nederzetting ongeveer 880 Europese kolonisten. Zij bouwden woningen, begonnen plantages en droomden van een bloeiende handelspost. Belgische kranten en officiële propaganda schilderden Santo Tomás af als een soort paradijs op aarde.

De werkelijkheid bleek echter een stuk minder idyllisch. De kolonisten bleken nauwelijks voorbereid te zijn op de tropische omgeving. Malaria, gele koorts, dysenterie en andere infectieziekten verspreidden zich razendsnel onder de kolonisten. Het gebied rond Santo Tomás bestond uit dicht regenwoud, moerassen en een extreem vochtig klimaat, ideale omstandigheden voor ziekteverwekkers, zoals muskieten.
Alleen al in juli 1844 overleden 219 kolonisten. Meer dan de helft van alle kolonisten overleed binnen twee jaar. Naast ziekten speelden voedseltekorten, logistieke problemen, financiële tekorten en slecht bestuur een belangrijke rol.

Ook de relaties met de lokale bevolking verliepen minder harmonieus dan men in België had gehoopt. De onderneming onderschatte de politieke situatie in Guatemala, dat zelf nog instabiel was na de ontbinding van de Federale Republiek van Centraal-Amerika in 1839.

Tegen mei 1845 verbleven nog slechts ongeveer tweehonderd kolonisten in Santo Tomás. Velen trokken naar Guatemala-Stad, emigreerden verder naar andere delen van Midden-Amerika of keerden ontgoocheld terug naar België. Eind 1854 (en dus al na twee jaar) trok Guatemala de stekker uit de concessie.

Uit dit koloniale debacle leerde België wel enkele dure lessen. Waar Leopold I nog afhankelijk was van private ondernemingen en buitenlandse overeenkomsten, zou Leopold II (1835-1909) tientallen jaren later veel centraler en persoonlijker te werk gaan bij de verwerving van Congo, al eindigde dit uiteindelijk ook desastreus.

Vandaag is deze episode in België grotendeels vergeten. In Guatemala herinneren plaatsnamen, archiefstukken en archeologische resten nog aan deze korte Belgische aanwezigheid aan de Caraïbische kust.

[1] Van Reybrouck: Congo: Een geschiedenis - 2010
[2] Van den Bossche: Een kortstondige kolonie Santo-Tomas de Guatemala (1843 -1854) - 1997

Klein-Venedig: Een Duitse kolonie in Zuid-Amerika

In de eerste helft van de 16e eeuw ontstond er een opmerkelijk (en kort) hoofdstuk in de kolonisatie van Amerika: Klein-Venedig, ook wel Welserland genoemd.
Tussen 1528 en 1546 beheerde de Duitse bankiersfamilie Welser uit Augsburg een groot deel van het huidige Venezuela (‘Klein Venetië’ in het Spaans) als privé-kolonie. Het was een van de weinige pogingen tot Duitse kolonisatie in de Nieuwe Wereld, gedreven door handel, schulden en de vaak ijdele hoop op immense rijkdom[1].

De hoofdstad van Klein-Venedig was Neu-Augsburg (nu Santa Ana de Coro genaamd). In 1529 stichtte gouverneur Ambrosius Ehinger de stad Neu-Nürnberg, het tegenwoordige Maracaibo, dat tegenwoordig Venezuela’s tweede stad is. Deze nederzettingen dienden als bases voor handel en verdere exploratie.

De achtergrond van deze historie lag in het chronische gebrek aan pecunia van het Heilige Roomse Rijk. Keizer Karel V (1500-1558), tevens koning van Spanje, had grote sommen geld geleend van de gebroeders Welser om zijn vele oorlogen te financieren. Als terugbetaling verleende hij hun in 1528 het recht om de provincie Venezuela te verkennen, te besturen en te exploiteren. De Welsers zagen hierin een kans om direct toegang te krijgen tot de rijkdommen van de Nieuwe Wereld. Ze verplichtten zich tot het stichten van steden en forten, het uitrusten van expedities en het aanvoeren van kolonisten. Uiteraard alles op eigen kosten.

Handel en exploitatie
De focus lag sterk op handel en exploitatie. De Welsers transporteerden Duitse mijnwerkers naar de kolonie om naar goud en andere edelmetalen te zoeken. Toen dit niets opleverde, werd de lokale bevolking maar gevangen genomen om als slaven te werken. Dát deed de onderlinge verstandhouding geen goed.
[Bartholomeus Welser (1484-1561)]

Daarnaast importeerde man zo'n 4,000 Afrikaanse slaven om suikerrietplantages op te zetten[2]. De kolonie fungeerde als een commerciële onderneming: Europese goederen (voedsel, paarden, wapens en textiel) werden geïmporteerd en verkocht tegen hoge (te) prijzen aan de kolonisten. Parels, katoen, brazilwood (verfhout) en eventuele edelmetalen werden geëxporteerd, eerst naar Sevilla en vandaar naar Augsburg. De Welsers hadden namelijk vrijstelling van bepaalde belastingen in Sevilla en hadden recht op een aandeel in de opbrengsten van mijnbouw, die dus nauweijks iets opleverde.

El Dorado
Alles werd echter overschaduwd door de zoektocht naar El Dorado, de legendarische (en fictieve) gouden stad. Opeenvolgende gouverneurs, Ambrosius Ehinger (ca. 1500-1533), Georg von Speyer (1500-1540) en Philipp von Hutten (1505-1546), leidden zinloze expedities diep het binnenland in. Deze expedities leverden vrijwel niets op, maar kostten veel levens als gevolg van tropische ziekten, honger, vijandige inheemse volkeren en barre omstandigheden. Die focus op goud ging ten koste van duurzame landbouw en handel. De economie van Klein-Venedig bleef daardoor wankel.

Einde van de kolonie
In 1546 keerde Philipp von Hutten weer eens teneergeslagen terug uit het binnenland om tot zijn ontzetting te ontdekken dat een Spaanse ‘gouverneur’, Juan de Carvajal (ca. 1509-1546), de macht had overgenomen. Carvajal, aangesteld door de Real Audiencia van Santo Domingo om de orde te handhaven, had documenten vervalst en zichzelf tot gouverneur uitgeroepen. Hij zag de terugkerende, behoorlijk verzwakte Duitsers als een bedreiging voor zijn positie.

Carvajal beloofde de Duitsers een veilig doorgang naar de kust, maar hij bleek (uiteraard) niet te vertrouwen en liet Philipp von Hutten en Bartholomeus Welser VI (1512-1546) gevangennemen en uiteindelijk onthoofden.

Kort daarna greep de Spaanse autoriteit in. Juan de Carvajal werd gearresteerd, berecht en ter dood veroordeeld voor zijn greep naar de macht en de executie van de rechtmatige gouverneur. Op 16 september 1546 werd hij in Santa Ana de Coro opgehangen. Karel V trok daarna het verdrag in en Klein-Venedig keerde terug onder directe Spaanse controle.

Tegenwoordig is Klein-Venedig een vergeten voetnoot in de geschiedenis.

[1] Jörg Denzer: Die Konquista der Augsburger Welser-Gesellschaft in Südamerika (1528-1556) – 2005. Zie hier.
[2] Julia Roth: Sugar and slaves: The Augsburg Welser as conquerors of America and colonial foundational myths in Atlantic Studies – 2017. Zie hier.

Fernando Pó (nu Bioko) was even Nederlands

Het Afrikaanse eiland Bioko, gelegen onder de kust van Kameroen, maar onderdeel van Equatoriaal-Guinea, heette eeuwenlang Fernando Pó. Het speelde ooit een belangrijke rol in de trans-Atlantische slavenhandel en in de machtsstrijd tussen Europese koloniale machten.
Bioko ligt verscholen in de Golf van Guinee. Hoewel het eiland nu vooral bekendstaat om zijn weelderige tropische natuur en vulkanische landschappen (met de Pico Basilé als hoogste punt), was het in het verleden vooral geliefd om zijn strategische ligging als tussenstation voor schepen.

De ontdekking
De Europese geschiedenis van het eiland begint in 1472. In dat jaar bereikte de Portugese ontdekkingsreiziger Fernão do Pó het eiland tijdens een expeditie langs de West-Afrikaanse kust. Hij noemde het aanvankelijk Formosa Flora ofwel ‘mooie bloem’. Do Pó was kennelijk nogal onder de indruk van het natuurschoon op het eiland.

De naam Formosa Flora beklijfde echter niet lang. Al snel werd het eiland hernoemd naar Fernando Pó, een eerbetoon aan diens ontdekker. Het gaf Portugal een extra reden om het eiland te claimen. Het land begon voortvarend met de ontwikkeling van suikerrietplantages. Door de gunstige ligging groeide Fernando Pó echter al snel uit tot een belangrijk knooppunt in de handel langs de West-Afrikaanse kust.
In Nederlandse handen
In 1642 vestigde de Nederlandse West-Indische Compagnie (WIC) handelsbases op het eiland, uiteraard zonder toestemming van de Portugezen. Vanuit Fernando Pó centraliseerde ze (tijdelijk) haar slavenhandel in de Golf van Guinee. De Portugezen verschenen in 1648 opnieuw aan de horizon en 'vervingen' de Nederlandse Compagnie door een eigen handelsonderneming, eveneens gericht op de slavenhandel, die al gevestigd was op het naburige eiland Corisco.

Fernando Pó lag redelijk gunstig tussen belangrijke handelsgebieden en diende als tussenstop voor schepen die de Atlantische Oceaan overstaken. Het loonde dus de moeite om er ruzie over te maken. Vanuit de Golf van Guinee werden miljoenen Afrikanen naar de Amerika’s gedeporteerd. Hoewel Fernando Pó geen van de grootste slavenhavens was, vervulde het een cruciale logistieke rol als opslag- en doorvoerplaats voor goederen én mensen.
In Spaanse handen
In 1778 kwam Fernando Pó middels het Verdrag van El Pardo officieel in Spaanse handen. Spanje zag het eiland als uitvalsbasis voor koloniale ambities in Afrika en Amerika, maar de werkelijke controle bleef lange tijd beperkt door tropische ziekten, zoals malaria, en hardnekkig verzet van de lokale bevolking.

In de negentiende eeuw veranderde de rol van Fernando Pó opnieuw. Nadat Groot-Brittannië de slavenhandel had verboden, werd het eiland tussen 1827 en 1843 bezet door de Britten en gebruikte de Britse marine het als basis voor de bestrijding van illegale slavenschepen.

In de huidige hoofdstad Malabo (toen Port Clarence) vestigden de Britten een marinebasis. Britse oorlogsschepen onderschepten slavenschepen op de Atlantische Oceaan en bevrijdden duizenden gevangenen. Dat lijkt natuurlijk menslievend, maar het waren diezelfde schepen die jaren daarvoor de slaven hadden vervoerd. Noem het cynisch.

Gedurende de twintigste eeuw bleef Fernando Pó onderdeel van Spaans-Guinea. Op de plantages werd vooral cacao verbouwd met arbeidskrachten uit andere delen van West-Afrika, waaronder Nigeria. Internationale organisaties bekritiseerden echter regelmatig de slechte arbeidsomstandigheden, die soms sterk leken op dwangarbeid.
Operation Postmaster
In 1942 was Fernando Pó het toneel van de (toen) geheime Britse Operation Postmaster. Het eiland was Spaans en was dus 'neutraal' de Tweede Wereldoorlog, waardoor Duitse en Italiaanse schepen ongehinderd konden laden, lossen en bunkeren in de haven van Santa Isabel (nu Malabo) voor de bevoorrading van U-boten. Britse commando’s moesten eigenlijk de schepen in de haven tot zinken brengen, maar vonden het een beter idee om ze te kapen. Dus werd de Italiaanse 'Duchessa d’Aosta' als oorlogsbuit overgebracht naar Engeland, waar het schip hernoemd werd tot 'Empire Yakon'.

Onafhankelijk
Na de onafhankelijkheid van Equatoriaal-Guinea in 1968, werd het eiland in 1979 het officieel omgedoopt tot Bioko. De naam eerde de politicus Cristino Seriche Bioko (1940-2024). In die landen betekent dat ook dat er grootste projecten (lees: nutteloze zesbaans snelwegen) op het eiland werden uitgevoerd.

Tegenwoordig is Bioko een rommeltje van culturen. Spaanse koloniale architectuur, Portugese plaatsnamen, lokale tradities en invloeden uit heel West-Afrika zijn overal nog zichtbaar. Van de tijdelijke Nederlandse aanwezigheid is weinig meer te merken.

De Coromandelkust en de VOC

De Coromandelkust maakte ooit deel uit van Nederlands Voor-Indië. Het gebied ligt langs de zuidoostelijke kust van het Indiase subcontinent, vormde lange tijd een cruciale schakel in de handelsnetwerken van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Hoewel deze kuststrook minder bekend is dan bijvoorbeeld de Molukken of Batavia, speelde zij een essentiële rol in de intra-Aziatische handel van de VOC, met name als leverancier van textiel en als knooppunt in de slavenhandel.
Naamgeving
De benaming ‘Coromandel’ is mogelijk afgeleid van het Tamil woord Cholamandalam, dat verwijst naar het historische rijk van de dynastie der Cholas, die tot 1279 nChr over grote delen van zuidelijk India heersten[1]. Een minder geloofwaardige theorie is dat het allereerste Nederlandse schip zijn anker uitgooide nabij Karimanal ('zwart zand'), een dorp op een eiland, iets ten noorden van Pulicat. De zeelieden aan boord verstonden de naam van het dorp niet goed en dachten 'Corimondal' te horen.

Geografie
De kust strekt zich uit van Pulicat in het noorden tot Nagapattinam in het zuiden, langs de Golf van Bengalen. In de zeventiende eeuw maakte het gebied deel uit van een gefragmenteerd politiek landschap, waarin regionale machthebbers, zoals het sultanaat Golconda en de Nayak-heersers van Tanjore, een prominente rol speelden[2].

De eerste Europeanen, die zich vestigden aan de Coromandelkust, waren (uiteraard) de Portugezen in de zestiende eeuw. Vanaf het begin van de zeventiende eeuw wist de VOC zich echter een dominante positie te verwerven. In 1609 verkreeg de Compagnie toestemming om zich te vestigen in Pulicat, waar zij Fort Geldria bouwde. Deze nederzetting groeide uit tot het belangrijkste Nederlandse bestuurscentrum in de regio[3].

Handel
De strategische betekenis van de Coromandelkust voor de VOC lag vooral in de productie van katoen en textiel. Deze stoffen, variërend van grove doeken tot fijn geweven en beschilderde chintz, waren zeer gewild in andere delen van Azië. Zij fungeerden als ruilmiddel in de specerijenhandel in Nederlandsch-Indië, maar werden tevens afgezet in gebieden als Ceylon, Malakka en Japan[4]. De Coromandelkust vormde daarmee een essentieel onderdeel van het intra-Aziatische handelscircuit van de VOC, waarin goederenstromen voornamelijk gericht waren op Aziatische markten.

Naast textiel speelde ook de slavenhandel een rol in de activiteiten van de VOC aan de Coromandelkust. Slaven werden vanuit deze regio verscheept naar andere VOC-gebieden, waaronder Batavia en Ceylon. Deze handel was nauw verweven met lokale machtsstructuren en conflicten, waarbij krijgsgevangenen en sociaal kwetsbare groepen een belangrijk aandeel vormden[5].
[Gezicht op Masulipatnam]

In de loop van de zeventiende eeuw breidde de VOC haar aanwezigheid verder uit langs de kust, met vestigingen in onder meer Masulipatnam, Sadras en Nagapattinam. Laatstgenoemde plaats werd in 1658 op de Portugezen veroverd en ontwikkelde zich tot een belangrijk handels- en administratief centrum[6].

Tegelijkertijd opereerde de VOC in een behoorlijk competitieve omgeving, waarin ook andere Europese mogendheden, zoals de Engelse en Franse Oost-Indische Compagnieën, hun invloed trachtten uit te breiden.

De positie van de VOC aan de Coromandelkust bleef echter afhankelijk van de medewerking van lokale heersers. Handelsprivileges, belastingregelingen en territoriale rechten moesten voortdurend worden heronderhandeld. Politieke instabiliteit in het binnenland en verschuivende machtsverhoudingen hadden dan ook directe gevolgen voor de handelsactiviteiten van de Compagnie[7]. In de achttiende eeuw nam het belang van de Coromandelkust voor de VOC geleidelijk af. Toenemende concurrentie van de Engelse East India Company, interne organisatorische problemen en veranderende economische omstandigheden ondermijnden de Nederlandse positie. In 1781 ging Nagapattinam verloren aan de Britten, wat een zware slag betekende voor de VOC in deze regio[3].

Hoewel de Coromandelkust in de geschiedschrijving vaak een stuk minder aandacht krijgt dan andere VOC-gebieden, was zij gedurende lange tijd van fundamenteel belang voor het functioneren van het Aziatische handelsnetwerk van de VOC. De regio illustreert hoe de VOC niet slechts een Europese handelsorganisatie was, maar diep verweven raakte met bestaande Aziatische economische en politieke structuren.

[1] Hunter: The Imperial Gazetteer of India: Volume II: Bengal to Cutwa - 1881. Zie hier.
[2] Sinnappah Arasaratnam: Merchants, Companies and Commerce on the Coromandel Coast, 1650–1740 – 1986
[3] Femme Gaastra: De geschiedenis van de VOC – 2002
[4] Om Prakash: The Dutch East India Company and the Economy of Bengal, 1630–1720 – 1985
[5] Richard B. Allen: European Slave Trading in the Indian Ocean, 1500–1850 – 2014
[6] K.N. Chaudhuri: The Trading World of Asia and the English East India Company, 1660–1760 – 1978
[7] Sanjay Subrahmanyam: The Political Economy of Commerce: Southern India 1500–1650 – 1990